Ze sloot haar ogen en viel in een diepe slaap.
Ze moest weg van dit alles, van wat er was gebeurd. Ze was verlaten en daarna was ze gaan lopen. Ze had zichzelf geen doel voor ogen gesteld. Ze was gewoonweg gaan lopen zonder te weten waarheen. De weg was lang en leek oneindig, ze kon tot in de eeuwigheid blijven lopen zonder iemand tegen te komen dacht ze. Dit was pas de eerste dag, ze was nog niet zo ver. Ze moest nog verder, veel verder. Weg van die akelige plek. Overdag zou ze slapen, ’s nachts zou ze lopen, dan zou ze sowieso minder kans hebben om mensen tegen te komen. Het laatste wat ze nu wilde was mensen zien, alleen maar lopen om haar gedachten op orde te krijgen, dat was het plan. Ze leefde van het voedsel dat mensen hadden achtergelaten, het verbaasde haar hoe veel het was.
Er gingen nachten voorbij en ze kwam niemand tegen. De weg bleef verlaten de wereld bleef stil. Soms waren er stukken weg die wel verlicht waren. Als ze die tegenkwam schrok ze een beetje, het leek dan alsof ze terug was bij het begin. De plek die ze zo krampachtig probeerde te vergeten. Het lopen kalmeerde haar geest. Soms regende het overdag, dan werd ze wakker en hoorde ze de auto’s voorbij razen, een herinnering dat de wereld verder was gegaan en zij als een vast punt in de tijd was blijven staan. Voor haar was de wereld gestopt toen ze werd verlaten, maar de wereld gaf niks om haar. Ze was slechts een klein puntje op een overvolle aarde.
Sommige mensen, haar familie, haar vrienden, zouden bezorgd zijn om haar, maar na een tijdje zou die bezorgdheid overgaan. De hoop zou worden opgegeven en dan zou ze nog slechts een herinnering zijn. En met die gedachte bleef ze lopen op de oneindige weg. Ze vroeg zich soms wel eens af of ze ooit nog iemand zou zien. ’s Nachts reden er geen auto’s op deze weg, daar had ze zich wel eens over verbaasd, want ook midden in de nacht zouden er mensen op weg moeten zijn ergens heen, om verder te gaan met hun leven? Het verbaasde haar ook dat de weg geen afritten had. Er was maar een richting: rechtdoor. De weg zou ooit tot een einde moeten komen dacht ze, maar er waren ook geen bewegwijzering om haar te vertellen waar ze heen aan het lopen was.
Uiteindelijk kwam er een lang stuk weg met verlichting. Het was vreemd, bijna onheilspellend. Alsof de weg haar iets wilde vertellen. Misschien naderde het einde van de weg, of zou er eindelijk een afrit komen die haar naar een nieuw bestaan en een nieuw leven zou leiden. En zo bleef ze lopen, met in haar achterhoofd het idee dat het einde misschien wel zou naderen. Op een nacht net als alle andere nachten zag ze tot haar grote verbazing beweging in de verte. Ze schrok. De laatste keer dat ze iemand had gezien moest ondertussen maanden geleden zijn, ze had de dagen niet bijgehouden. De tijd bijhouden zou irrelevant zijn aangezien haar leven toch gestopt was.
De schim in de verte keek naar haar. Ze bleef stug doorlopen, niet bang voor wat er zou gebeuren. De schim veranderde in een gestalte en veranderde uiteindelijk in een echt persoon. Het was een vrouw en met verbazing keek ze naar haar. Ze vertraagde haar pas, en langzaam naderde ze haar. De twee vrouwen waren uiteindelijk slechts een paar meter van elkaar verwijderd. Verbijsterd keken ze elkaar aan, dit kon toch niet echt zijn? Het was alsof ze in een spiegel keken. Ze waren hetzelfde in ieder opzicht.
“Waar ga je heen?” vroeg ze.
“Ik ga terug naar huis. Het heeft lang genoeg geduurd. Je zou mee moeten gaan” was het antwoord.
“Waar is thuis?”
“Thuis is de plek die jij beschouwd als akelig. Dat heb ik ook lange tijd gedacht maar uiteindelijk ben ik terug gaan lopen. De weg heeft geen einde.”
“Maar ik ben nog niet klaar, ik moet nog verder.”
“Dat is jouw keuze. Ik kan je niet dwingen mee te komen.”
De vrouwen keken elkaar nog een maal aan en liepen verder.