#6

Ze lagen in bed alsof ze de enige twee mensen op aarde waren. Ergens klopte dat ook wel. Ze waren gelukkig, maar in het begin ben je altijd gelukkig. Die roze wolk zou ooit een keer verdwijnen en plaats maken voor de werkelijkheid.

Die werkelijkheid, dat was wat haar nog het meest bang maakte. Op een dag zou hij tot de realisatie komen dat ze alleen maar leuk was voor even. Een tussendoortje. Vervolgens zou hij niets zeggen en hij zou doen alsof er niets aan de hand was. Maar stiekem zou hij op zoek gaan naar de volgende, die misschien een beetje meer langetermijn zou zijn.

Hij zou veranderen in alle anderen voor hem, die haar stuk voor stuk gebroken achter hadden gelaten en verder waren gegaan met meisjes die wel een toekomstplan hadden, die wel rationeel waren, die niet handelden op impuls, die hun leven wel onder controle hadden. Zij was oncontroleerbaar.

“Waar denk je aan?”
Zijn stem kwam uit het niets en ze realiseerde zich dat ze weer verzonken was geraakt in gedachten. Hij mocht niet weten wat ze dacht, de werkelijkheid kon nog wel even worden uitgesteld.

“Helemaal nergens aan.” 
Antwoordde ze met een glimlach en ze gaf hem een kus.

GAG_MAG Romance Challenge.

Dus. De GAG_MAG besloot deze keer een Romance Challenge te houden omdat de volgende GAG_MAG met Valentijn uitkomt. Het moest in de vorm van een gedicht zijn dus ik dacht, oké, doen we. Dus dit hier is mijn inzending.

Patience My Dear
Written by F.M. Delorean

I feel too much while you feel too little
Put us together and all will be fine
And when you speak my heart becomes brittle
But I know one day you will cross the line

This obscure web of rules left unspoken
Don’t think breaking them has not crossed my mind
But for love’s sake they’re meant to be broken
Though I’m afraid of what I might find

When you break the chains in which you reside
You will know, just like in every cliche
There’s no escape from the feeling inside
So I remain still and wait for that day

When you make up your mind and finally see
There is no denying, you belong to me

To My Disorder

You are not my lover
You are not my friend
You are what destroys me
To a certain extent

I can’t really blame you
Because deep down I know
It’s me that let you in
It’s me that can’t let go

What I’d be without you
Is something undefined
I’d feel so very lost
Without you in my mind

And though we are not lovers I most certainly can say
That I am in love with you in a sick and twisted way

Schaduwwereld.

De schaduwwereld is een eenzame plek.

Je komt er niemand tegen, en terwijl iedereen weet dat je bestaat weet toch eigenlijk niemand wie je werkelijk bent. Als je te lang in de schaduw leeft vergeet je wie je bent en wordt je een omhulsel van wie je ooit was. Er is altijd een beginpunt. Er is altijd een moment waarop iemand de schaduw ingaat. Dat moment hoeft niets speciaals te hebben. Op dat moment stop je met jezelf zijn en wordt je wat anderen verwachten dat je bent. Je voldoet aan hun verwachtingen maar vergeet wie je werkelijk bent. De persoon die je was voor die tijd wordt verdrongen naar de achtergrond. Je vergeet wat je zelf leuk vind, wat je van alles vind. Je mening verandert in een mening die anderen willen horen, een mening die niet meer de jouwe is. De mening van anderen wordt zo belangrijk voor je dat je jezelf daaraan aanpast. En als je dat eenmaal doet is er geen houden meer aan. Tot op het moment van realisatie. Als dat moment komt wanneer je eindelijk begrijpt dat je jezelf niet meer bent maar dat je slechts een overblijfsel bent van wat je ooit was. Dat is de klap, de schok. En daar kom je ook weer doorheen, je komt er weer uit, en wat er dan uitkomt is een sterker persoon dan daarvoor. Iemand die weet waar hij voor staat. Iemand die zich niets laat zeggen door anderen. Iemand die zichzelf is geworden door middel van anderen.

#5

Ze sloot haar ogen en viel in een diepe slaap.

Ze moest weg van dit alles, van wat er was gebeurd. Ze was verlaten en daarna was ze gaan lopen. Ze had zichzelf geen doel voor ogen gesteld. Ze was gewoonweg gaan lopen zonder te weten waarheen. De weg was lang en leek oneindig, ze kon tot in de eeuwigheid blijven lopen zonder iemand tegen te komen dacht ze. Dit was pas de eerste dag, ze was nog niet zo ver. Ze moest nog verder, veel verder. Weg van die akelige plek. Overdag zou ze slapen, ’s nachts zou ze lopen, dan zou ze sowieso minder kans hebben om mensen tegen te komen. Het laatste wat ze nu wilde was mensen zien, alleen maar lopen om haar gedachten op orde te krijgen, dat was het plan. Ze leefde van het voedsel dat mensen hadden achtergelaten, het verbaasde haar hoe veel het was.

Er gingen nachten voorbij en ze kwam niemand tegen. De weg bleef verlaten de wereld bleef stil. Soms waren er stukken weg die wel verlicht waren. Als ze die tegenkwam schrok ze een beetje, het leek dan alsof ze terug was bij het begin. De plek die ze zo krampachtig probeerde te vergeten. Het lopen kalmeerde haar geest. Soms regende het overdag, dan werd ze wakker en hoorde ze de auto’s voorbij razen, een herinnering dat de wereld verder was gegaan en zij als een vast punt in de tijd was blijven staan. Voor haar was de wereld gestopt toen ze werd verlaten, maar de wereld gaf niks om haar. Ze was slechts een klein puntje op een overvolle aarde.

Sommige mensen, haar familie, haar vrienden, zouden bezorgd zijn om haar, maar na een tijdje zou die bezorgdheid overgaan. De hoop zou worden opgegeven en dan zou ze nog slechts een herinnering zijn. En met die gedachte bleef ze lopen op de oneindige weg. Ze vroeg zich soms wel eens af of ze ooit nog iemand zou zien. ’s Nachts reden er geen auto’s op deze weg, daar had ze zich wel eens over verbaasd, want ook midden in de nacht zouden er mensen op weg moeten zijn ergens heen, om verder te gaan met hun leven? Het verbaasde haar ook dat de weg geen afritten had. Er was maar een richting: rechtdoor. De weg zou ooit tot een einde moeten komen dacht ze, maar er waren ook geen bewegwijzering om haar te vertellen waar ze heen aan het lopen was.

Uiteindelijk kwam er een lang stuk weg met verlichting. Het was vreemd, bijna onheilspellend. Alsof de weg haar iets wilde vertellen. Misschien naderde het einde van de weg, of zou er eindelijk een afrit komen die haar naar een nieuw bestaan en een nieuw leven zou leiden. En zo bleef ze lopen, met in haar achterhoofd het idee dat het einde misschien wel zou naderen. Op een nacht net als alle andere nachten zag ze tot haar grote verbazing beweging in de verte. Ze schrok. De laatste keer dat ze iemand had gezien moest ondertussen maanden geleden zijn, ze had de dagen niet bijgehouden. De tijd bijhouden zou irrelevant zijn aangezien haar leven toch gestopt was.

De schim in de verte keek naar haar. Ze bleef stug doorlopen, niet bang voor wat er zou gebeuren. De schim veranderde in een gestalte en veranderde uiteindelijk in een echt persoon. Het was een vrouw en met verbazing keek ze naar haar. Ze vertraagde haar pas, en langzaam naderde ze haar. De twee vrouwen waren uiteindelijk slechts een paar meter van elkaar verwijderd. Verbijsterd keken ze elkaar aan, dit kon toch niet echt zijn? Het was alsof ze in een spiegel keken. Ze waren hetzelfde in ieder opzicht.

“Waar ga je heen?” vroeg ze.
“Ik ga terug naar huis. Het heeft lang genoeg geduurd. Je zou mee moeten gaan” was het antwoord.
“Waar is thuis?”
“Thuis is de plek die jij beschouwd als akelig. Dat heb ik ook lange tijd gedacht maar uiteindelijk ben ik terug gaan lopen. De weg heeft geen einde.”
“Maar ik ben nog niet klaar, ik moet nog verder.”
“Dat is jouw keuze. Ik kan je niet dwingen mee te komen.”
De vrouwen keken elkaar nog een maal aan en liepen verder.