De kamer was rood. De muren, het plafond, zelfs de vloer. Alles was rood. In het midden stond een wit bed. Het contrast tussen het bed en de kamer deed pijn aan zijn ogen. In het bed lag een meisje, bijna een jonge vrouw. Ze was mooier dan alle andere meisjes die hij ooit had gezien. Haar ogen waren gesloten maar ze sliep niet. Ze lag daar, in eindeloze stilte te wachten. Te wachten op het einde, ze wist waarom hij was gekomen. Hij keek naar haar. Hij nam aan dat ze sliep. Het zou zijn werk zo veel makkelijker maken als ze sliep, maar ergens hoopte hij dat ze haar ogen zou openen en hem aan zou kijken. Als dat zou gebeuren zou hij wakker worden in zijn eigen bed, ver weg van de rode kamer.
Hij nam een stap richting het bed. Haar ogen bleven gesloten. ‘Nog één stap en ze doet haar ogen open’ dacht hij. Hij nam de volgende stap, nog steeds geen beweging. Nog een stap dan maar, hij stond nu naast het bed, maar haar ogen bleven gesloten. Er was wel een kleine glimlach op haar gezicht verschenen. Ze wist wat er zou komen, wat er ging gebeuren. Zij was de laatste test en ze wist al dat hij zou falen. Hij zag de glimlach.
”Je bent wakker” zei hij.
“Dat klopt” zei ze, terwijl haar ogen gesloten bleven.
“Mag ik bij je komen liggen?”. Haar glimlach werd groter.
“Prima hoor”.
Hij ging op de rand van het bed zitten en probeerde niet te denken over wat hij later zou moeten doen. Hij deed zijn schoenen uit en ging naast het meisje liggen. “Wat is je naam?” vroeg ze hem zoals ze het aan alle anderen ook had gevraagd. “Benjamin” zei hij een beetje verbaasd “waarom wil je dat weten?”. “Je blijft hier nog wel een tijdje, het is fijn om te weten wie er in mijn bed ligt. Aangenaam Benjamin”. Haar stem was kalm. Hij wist dat hij niet naar haar naam moest vragen, een antwoord zou hij toch niet krijgen. Nog steeds waren haar ogen gesloten.
Benjamin vroeg zich af wat voor kleur ze waren maar durfde het niet te vragen. Samen lagen ze in het witte bed. Voor een omstander zou het hebben geleken alsof ze gelukkig waren samen. Benjamin was niet gelukkig, hij wist wat hij vroeg of laat zou moeten doen. Hij wist dat het hem zou veranderen, dat hij daarna nooit meer hetzelfde zou zijn. Zij was wel gelukkig, ze had haar lot geaccepteerd, ze wist dat het einde ooit zou komen, maar ze wist ook dat Benjamin niet haar einde zou zijn. Zij zou zijn einde zijn, maar dat wist hij nog niet. Hij zou het ook niet zien aankomen. Dat was haar taak, degenen die faalden hun einde te bezorgen. Er waren niet echt regels over hoe lang ze moest wachten voordat het einde er zou zijn. Ze wist het gewoon. Ze wist dat hij de regels had gebroken door tegen haar te praten. Een van de vorigen had haar verteld dat dat eigenlijk niet mocht.
Naast zich hoorde ze Benjamins ademhaling steeds regelmatiger worden. Hij sliep. Ze wist dat ze eigenlijk niet zou moeten kijken, maar toch deed ze haar ogen open en keer ze naar haar zoveelste falende verlosser. Hij leek zo veel op zijn voorgangers, maar was toch weer zo anders. Hij was niet groot, misschien tien centimeter groter dan zij. Hij was blond, en zijn haar was lang. Langer dan dat van haar. Hij had een lief gezicht en ze vroeg zich af hoe zo’n onschuldige ooit zijn weg had kunnen vinden naar haar kamer. Zijn kleding was dezelfde als die van al zijn voorgangers. aan zijn broekriem hing het wapen. Zijn wapen, hetgene dat hij zelf had gekozen voor hij was begonnen aan de proef. De nacht, of tenminste wat ze dacht dat nacht was ging voorbij. De kamer had immers geen ramen. Tegen de tijd dat hij wakker werd waren haar ogen gesloten en lag ze weer stil en emotieloos in het bed.
Hij ging rechtop zitten en keek naar haar.
“Ben je wakker?” vroeg hij haar.
“Ik slaap nooit”.
“Waarom zijn je ogen dan altijd gesloten?”.
Er kwam geen antwoord. Benjamin was weer stil. Hij vond dit al moeilijk genoeg zonder tegen haar te praten. Even overwoog hij om het nu gewoon te doen maar hij besloot dat het moment nog niet juist was. Hij keek de kamer nog eens goed rond en zag dat de deur waardoor hij binnen was gekomen er niet meer was. Alle muren waren egaal rood. Een gevoel van paniek nam zijn lichaam over. Dit had hij niet geweten, dit was hem niet verteld. Zij voelde zijn paniek en wist dat het bijna tijd was.
Hij stapte uit het bed en liep de kamer rond en betastte alle muren. “De deur is echt weg. Hij komt ook niet zo maar weer terug. Vluchten is geen mogelijkheid”. Ze klonk ineens niet zo kalm meer als eerst. Benjamin keek naar haar en hij zag de glimlach weer op haar gezicht. Ze klom uit het bed, liep naar hem toe en ging voor hem staan. Haar ogen gesloten. Ze pakte zijn handen vast en ze voelde een rilling door zijn lichaam gaan. Haar handen waren koud. “nu is je kans”. Hij keek nog eens goed naar haar gezicht. “Ik kan het niet”. “Dan is dit jouw einde”. Terwijl ze dat zei opende ze haar ogen en keek ze hem aan. Ze voelde hoe zijn leven langzaam verdween. Zijn lichaam werd slap en hij viel terwijl zij zijn handen losliet. Ze zag de muren weer een beetje roder worden en ging weer in bed liggen. Ze glimlachte nog een keer voordat ze haar ogen weer sloot. Klaar voor de volgende.