Schaduwwereld.

De schaduwwereld is een eenzame plek.

Je komt er niemand tegen, en terwijl iedereen weet dat je bestaat weet toch eigenlijk niemand wie je werkelijk bent. Als je te lang in de schaduw leeft vergeet je wie je bent en wordt je een omhulsel van wie je ooit was. Er is altijd een beginpunt. Er is altijd een moment waarop iemand de schaduw ingaat. Dat moment hoeft niets speciaals te hebben. Op dat moment stop je met jezelf zijn en wordt je wat anderen verwachten dat je bent. Je voldoet aan hun verwachtingen maar vergeet wie je werkelijk bent. De persoon die je was voor die tijd wordt verdrongen naar de achtergrond. Je vergeet wat je zelf leuk vind, wat je van alles vind. Je mening verandert in een mening die anderen willen horen, een mening die niet meer de jouwe is. De mening van anderen wordt zo belangrijk voor je dat je jezelf daaraan aanpast. En als je dat eenmaal doet is er geen houden meer aan. Tot op het moment van realisatie. Als dat moment komt wanneer je eindelijk begrijpt dat je jezelf niet meer bent maar dat je slechts een overblijfsel bent van wat je ooit was. Dat is de klap, de schok. En daar kom je ook weer doorheen, je komt er weer uit, en wat er dan uitkomt is een sterker persoon dan daarvoor. Iemand die weet waar hij voor staat. Iemand die zich niets laat zeggen door anderen. Iemand die zichzelf is geworden door middel van anderen.

#5

Ze sloot haar ogen en viel in een diepe slaap.

Ze moest weg van dit alles, van wat er was gebeurd. Ze was verlaten en daarna was ze gaan lopen. Ze had zichzelf geen doel voor ogen gesteld. Ze was gewoonweg gaan lopen zonder te weten waarheen. De weg was lang en leek oneindig, ze kon tot in de eeuwigheid blijven lopen zonder iemand tegen te komen dacht ze. Dit was pas de eerste dag, ze was nog niet zo ver. Ze moest nog verder, veel verder. Weg van die akelige plek. Overdag zou ze slapen, ’s nachts zou ze lopen, dan zou ze sowieso minder kans hebben om mensen tegen te komen. Het laatste wat ze nu wilde was mensen zien, alleen maar lopen om haar gedachten op orde te krijgen, dat was het plan. Ze leefde van het voedsel dat mensen hadden achtergelaten, het verbaasde haar hoe veel het was.

Er gingen nachten voorbij en ze kwam niemand tegen. De weg bleef verlaten de wereld bleef stil. Soms waren er stukken weg die wel verlicht waren. Als ze die tegenkwam schrok ze een beetje, het leek dan alsof ze terug was bij het begin. De plek die ze zo krampachtig probeerde te vergeten. Het lopen kalmeerde haar geest. Soms regende het overdag, dan werd ze wakker en hoorde ze de auto’s voorbij razen, een herinnering dat de wereld verder was gegaan en zij als een vast punt in de tijd was blijven staan. Voor haar was de wereld gestopt toen ze werd verlaten, maar de wereld gaf niks om haar. Ze was slechts een klein puntje op een overvolle aarde.

Sommige mensen, haar familie, haar vrienden, zouden bezorgd zijn om haar, maar na een tijdje zou die bezorgdheid overgaan. De hoop zou worden opgegeven en dan zou ze nog slechts een herinnering zijn. En met die gedachte bleef ze lopen op de oneindige weg. Ze vroeg zich soms wel eens af of ze ooit nog iemand zou zien. ’s Nachts reden er geen auto’s op deze weg, daar had ze zich wel eens over verbaasd, want ook midden in de nacht zouden er mensen op weg moeten zijn ergens heen, om verder te gaan met hun leven? Het verbaasde haar ook dat de weg geen afritten had. Er was maar een richting: rechtdoor. De weg zou ooit tot een einde moeten komen dacht ze, maar er waren ook geen bewegwijzering om haar te vertellen waar ze heen aan het lopen was.

Uiteindelijk kwam er een lang stuk weg met verlichting. Het was vreemd, bijna onheilspellend. Alsof de weg haar iets wilde vertellen. Misschien naderde het einde van de weg, of zou er eindelijk een afrit komen die haar naar een nieuw bestaan en een nieuw leven zou leiden. En zo bleef ze lopen, met in haar achterhoofd het idee dat het einde misschien wel zou naderen. Op een nacht net als alle andere nachten zag ze tot haar grote verbazing beweging in de verte. Ze schrok. De laatste keer dat ze iemand had gezien moest ondertussen maanden geleden zijn, ze had de dagen niet bijgehouden. De tijd bijhouden zou irrelevant zijn aangezien haar leven toch gestopt was.

De schim in de verte keek naar haar. Ze bleef stug doorlopen, niet bang voor wat er zou gebeuren. De schim veranderde in een gestalte en veranderde uiteindelijk in een echt persoon. Het was een vrouw en met verbazing keek ze naar haar. Ze vertraagde haar pas, en langzaam naderde ze haar. De twee vrouwen waren uiteindelijk slechts een paar meter van elkaar verwijderd. Verbijsterd keken ze elkaar aan, dit kon toch niet echt zijn? Het was alsof ze in een spiegel keken. Ze waren hetzelfde in ieder opzicht.

“Waar ga je heen?” vroeg ze.
“Ik ga terug naar huis. Het heeft lang genoeg geduurd. Je zou mee moeten gaan” was het antwoord.
“Waar is thuis?”
“Thuis is de plek die jij beschouwd als akelig. Dat heb ik ook lange tijd gedacht maar uiteindelijk ben ik terug gaan lopen. De weg heeft geen einde.”
“Maar ik ben nog niet klaar, ik moet nog verder.”
“Dat is jouw keuze. Ik kan je niet dwingen mee te komen.”
De vrouwen keken elkaar nog een maal aan en liepen verder.

#4

Ze stonden te wachten. Waarop was een goede vraag die ze zichzelf al meerdere malen hadden gesteld. Ze hadden de vraag nog nooit aan elkaar gesteld, de afstand was te groot. Het plein was vierkant en verlaten, het was al die tijd al verlaten geweest, behalve hun aanwezigheid. En als de avond viel en ze het plein verlieten was het helemaal leeg. Niemand kwam hier. Elke ochtend stonden ze er weer, hij aan de noordkant, zij aan de zuidkant. Alleen met hun gedachten stonden ze te wachten tot de ander de eerste beweging zou maken, een stap richting het midden van het plein. Maar om redenen die ze beiden niet begrepen werd die eerste stap nooit genomen, misschien was het angst, misschien iets anders, misschien was het een kinderachtige strijd van wilskracht. Wie het eerst bewoog was af.

Maanden waren voorbij gegaan sinds het moment dat ze elkaar voor het eerst zagen en in die maanden was er nooit gesproken. Het was altijd stil geweest en de spanning werd op een gegeven moment ondraaglijk, de stilte en het wachten, het wachten op iets onbekends. En toch werden de ongeschreven regels niet gebroken, ze stonden daar in regen, sneeuw en wind onbeweeglijk te wachten. De maanden gingen voorbij en veranderden in jaren. Zij zag hem veranderen, opgroeien, maar als hij naar haar keek leek ze altijd hetzelfde te blijven. Niet groter, niet kleiner, ze was onveranderlijk. Het contrast tussen hen was verbazingwekkend. Hij was groter geworden, veranderd van een kleine jongen in een man.

En toen kwam de dag, de dag die alles veranderde. Deze dag begon als ieder andere dag, het was ochtend en het was koud. Het was altijd koud. Daar stonden ze weer, tegenover elkaar om redenen die ze beide nog steeds niet begreep. Het was alsof ze werden geroepen om hier te zijn, dag na dag na dag. Maar vandaag was anders, terwijl zij die nacht sliep had hij dat niet gedaan en een besluit genomen, hij kon de onzekerheid en het niet weten niet langer aan, het was hem te veel geworden. Vandaag zou hij lopen, en zij zou volgen, hij wist het zeker. Na nog een aantal uur van laatste twijfels en besluiteloosheid zette hij de eerste stap met een huiverend hart. Zij keek vol ongeloof en met angst in haar ogen naar hem. Ze zag hem bewegen en ze kon haar ogen niet van hem afhouden. Zou het eindelijk zo ver zijn, zouden alle jaren van wachten en onzekerheid eindelijk tot een einde komen? Ze vroeg het zich af en terwijl ze dit deed voelde ze haar voeten uit zichzelf bewegen. Ze begon ook te lopen en na wat voelde als een eeuwigheid kwamen ze allebei uit in het midden.

Ze hadden elkaar nog nooit van dichtbij gezien en staarden schaamteloos naar elkaar. Zij was kleiner dan hij altijd had gedacht en hij groter dan zij altijd had gedacht. In leeftijd scheelden ze elkaar niet veel. Ze stak haar arm uit en voelde aan zijn gezicht. Een rare spanning ging door haar lichaam, ze vroeg zich af of dit het gene was waar ze al die jaren op hadden gewacht. In tegenstelling tot haar voelde hij niets. Hij voelde de aanraking op zijn gezicht maar het deed hem niets. Hij was onveranderlijk van binnen. Terwijl zij van buiten altijd hetzelfde was gebleven was dat bij hem het geval aan de binnenkant. Ze trok haar hand terug en keek hem aan. Ze keek hoopvol, maar hij wendde zijn ogen af en draaide zich om. Langzaam liep hij terug naar zijn noordkant om in de verte te verdwijnen. Verslagen keek ze hem na. Al die jaren verspild.

#3

De kamer was rood. De muren, het plafond, zelfs de vloer. Alles was rood. In het midden stond een wit bed. Het contrast tussen het bed en de kamer deed pijn aan zijn ogen. In het bed lag een meisje, bijna een jonge vrouw. Ze was mooier dan alle andere meisjes die hij ooit had gezien. Haar ogen waren gesloten maar ze sliep niet. Ze lag daar, in eindeloze stilte te wachten. Te wachten op het einde, ze wist waarom hij was gekomen. Hij keek naar haar. Hij nam aan dat ze sliep. Het zou zijn werk zo veel makkelijker maken als ze sliep, maar ergens hoopte hij dat ze haar ogen zou openen en hem aan zou kijken. Als dat zou gebeuren zou hij wakker worden in zijn eigen bed, ver weg van de rode kamer.

Hij nam een stap richting het bed. Haar ogen bleven gesloten. ‘Nog één stap en ze doet haar ogen open’ dacht hij. Hij nam de volgende stap, nog steeds geen beweging. Nog een stap dan maar, hij stond nu naast het bed, maar haar ogen bleven gesloten. Er was wel een kleine glimlach op haar gezicht verschenen. Ze wist wat er zou komen, wat er ging gebeuren. Zij was de laatste test en ze wist al dat hij zou falen. Hij zag de glimlach.

”Je bent wakker” zei hij.
“Dat klopt” zei ze, terwijl haar ogen gesloten bleven.
“Mag ik bij je komen liggen?”. Haar glimlach werd groter.
“Prima hoor”.

Hij ging op de rand van het bed zitten en probeerde niet te denken over wat hij later zou moeten doen. Hij deed zijn schoenen uit en ging naast het meisje liggen. “Wat is je naam?” vroeg ze hem zoals ze het aan alle anderen ook had gevraagd. “Benjamin” zei hij een beetje verbaasd “waarom wil je dat weten?”. “Je blijft hier nog wel een tijdje, het is fijn om te weten wie er in mijn bed ligt. Aangenaam Benjamin”. Haar stem was kalm. Hij wist dat hij niet naar haar naam moest vragen, een antwoord zou hij toch niet krijgen. Nog steeds waren haar ogen gesloten.

Benjamin vroeg zich af wat voor kleur ze waren maar durfde het niet te vragen. Samen lagen ze in het witte bed. Voor een omstander zou het hebben geleken alsof ze gelukkig waren samen. Benjamin was niet gelukkig, hij wist wat hij vroeg of laat zou moeten doen. Hij wist dat het hem zou veranderen, dat hij daarna nooit meer hetzelfde zou zijn. Zij was wel gelukkig, ze had haar lot geaccepteerd, ze wist dat het einde ooit zou komen, maar ze wist ook dat Benjamin niet haar einde zou zijn. Zij zou zijn einde zijn, maar dat wist hij nog niet. Hij zou het ook niet zien aankomen. Dat was haar taak, degenen die faalden hun einde te bezorgen. Er waren niet echt regels over hoe lang ze moest wachten voordat het einde er zou zijn. Ze wist het gewoon. Ze wist dat hij de regels had gebroken door tegen haar te praten. Een van de vorigen had haar verteld dat dat eigenlijk niet mocht.

Naast zich hoorde ze Benjamins ademhaling steeds regelmatiger worden. Hij sliep. Ze wist dat ze eigenlijk niet zou moeten kijken, maar toch deed ze haar ogen open en keer ze naar haar zoveelste falende verlosser. Hij leek zo veel op zijn voorgangers, maar was toch weer zo anders. Hij was niet groot, misschien tien centimeter groter dan zij. Hij was blond, en zijn haar was lang. Langer dan dat van haar. Hij had een lief gezicht en ze vroeg zich af hoe zo’n onschuldige ooit zijn weg had kunnen vinden naar haar kamer. Zijn kleding was dezelfde als die van al zijn voorgangers. aan zijn broekriem hing het wapen. Zijn wapen, hetgene dat hij zelf had gekozen voor hij was begonnen aan de proef. De nacht, of tenminste wat ze dacht dat nacht was ging voorbij. De kamer had immers geen ramen. Tegen de tijd dat hij wakker werd waren haar ogen gesloten en lag ze weer stil en emotieloos in het bed.

Hij ging rechtop zitten en keek naar haar.
“Ben je wakker?” vroeg hij haar.
“Ik slaap nooit”.
“Waarom zijn je ogen dan altijd gesloten?”.

Er kwam geen antwoord. Benjamin was weer stil. Hij vond dit al moeilijk genoeg zonder tegen haar te praten. Even overwoog hij om het nu gewoon te doen maar hij besloot dat het moment nog niet juist was. Hij keek de kamer nog eens goed rond en zag dat de deur waardoor hij binnen was gekomen er niet meer was. Alle muren waren egaal rood. Een gevoel van paniek nam zijn lichaam over. Dit had hij niet geweten, dit was hem niet verteld. Zij voelde zijn paniek en wist dat het bijna tijd was.

Hij stapte uit het bed en liep de kamer rond en betastte alle muren. “De deur is echt weg. Hij komt ook niet zo maar weer terug. Vluchten is geen mogelijkheid”. Ze klonk ineens niet zo kalm meer als eerst. Benjamin keek naar haar en hij zag de glimlach weer op haar gezicht. Ze klom uit het bed, liep naar hem toe en ging voor hem staan. Haar ogen gesloten. Ze pakte zijn handen vast en ze voelde een rilling door zijn lichaam gaan. Haar handen waren koud. “nu is je kans”. Hij keek nog eens goed naar haar gezicht. “Ik kan het niet”. “Dan is dit jouw einde”. Terwijl ze dat zei opende ze haar ogen en keek ze hem aan. Ze voelde hoe zijn leven langzaam verdween. Zijn lichaam werd slap en hij viel terwijl zij zijn handen losliet. Ze zag de muren weer een beetje roder worden en ging weer in bed liggen. Ze glimlachte nog een keer voordat ze haar ogen weer sloot. Klaar voor de volgende.

#2

Je bent iemand tegengekomen. Je vind hem leuk. Leuker dan de meeste andere die je tegenkomt in ieder geval. Hij zegt dat hij tijd nodig heeft om na te denken over of hij wel of niets ‘iets’ wil, maar in de tussentijd hebben jullie wel gewoon seks. Als je nu gewoon even je hoofd in de realiteit propt dan weet je dat dit eigenlijk geen kans van slagen heeft. Je weet het diep in wat er doorgaat voor je hart wel. Je weet dat als iemand ondertussen al bijna 2 weken moet nadenken of hij wel of niet iets met je wil beginnen dat het eigenlijk al gedoemd is om te falen voor je er uberhaupt aan begint. Zo werkt de wereld, dat weet je best. Maar waarom, waarom dan toch, blijf je die hoop houden, blijf je bij jezelf denken dat hij anders is dan de rest. Is twee keer afgewezen worden op een brute manier niet genoeg voor een jaar? Moet het nu echt nog een keer, want je weet dat dit eraan zit te komen, je weet het best. En als je eens goed nadenkt bij jezelf, hoe leuk vind je hem eigenlijk dan? Leuk genoeg om je geheimen mee te delen, dat blijkt, leuk genoeg om seks mee te hebben, dat blijkt. Maar is dat alles wat er is of is er meer. Is het niet gewoon dat je eigenlijk zo vreselijk veel behoefte hebt aan vastigheid dat je jezelf vastklampt in wat je dan ook maar tegenkomt. Is het niet zo dat je alle respect voor je eigen lichaam hebt verloren en op een of andere manier affectie probeert te krijgen door je lichaam op te geven, om het maar cru te zeggen, aan iedereen die het wil hebben en ook maar een beetje zijn best doet? Want daar lijkt het wel op. Je weet het allemaal stiekem wel, je weet best dat het zo werkt. Maar toch blijf je hoop houden, misschien dat dat niet echt een slecht iets is, het bewijst maar weer dat je misschien toch nog wel een beetje hoop in de mensheid over hebt. Maar als je verder nadenkt weet je dat je die hoop eigenlijk alleen maar hebt om jezelf zinnig te houden. Je weet toch best dat die hoop eigenlijk nergens op slaat. Je weet dat mensen, mannen in het specifiek je tegenwoordig alleen maar leuk vinden voor eventjes omdat je jezelf zo makkelijk aan ze geeft. Daarna zij ze op je uitgekeken. Zo werkt de wereld. Je weet dat dit eigenlijk helemaal de bedoeling niet is, je weet het allemaal prima. Maar toch blijf je hopen, hopen dat je op een gegeven moment iemand tegenkomt die anders is, die jou ziet voor wie je eigenlijk bent en verder wil kijken dan het meisje dat haar respect en hoop heeft verloren. Het meisje dat vastklampt aan het beetje hoop dat er nog over is.
En ook al weet je dat het niet gaat werken, de gedachte van de toekomstige afwijzing doet je nu al pijn. Toch kan je jezelf er niet zo maar overheen zetten. Je blijft het proberen, je blijft willen dat het goedkomt. Haal je hoofd uit de wolken en wordt wakker. Dit is de realiteit.